Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

Tussen beleid en praktijk: FIOD verlegt de grens

Internationaal werken is bij de FIOD tegenwoordig van iedereen. Er is bijna geen onderzoek zonder internationale link. Een blik achterom leert dat het werk van de tachtigjarige FIOD in de eerste vijftig jaar niet altijd dat internationale karakter heeft gehad. Vier ervaren FIOD-medewerkers blikken terug en vertellen over hun dagelijkse praktijk. 

Helma, teamleider Internationaal: ‘Toen ik eind jaren ‘80 binnenkwam bij de FIOD was er een douanerecherche -waar ik begon-, een fiscale recherche en een inlichtingendienst. In die tijd telde de FIOD zo’n 450 medewerkers. We hadden maar twee taakvelden: fiscaal en douane. De douanetak was van de twee meer internationaal georiënteerd.’

Werken over grenzen heen

Er was bij de douanerecherche één team dat zich bezighield met EU-fraude. Helma: ‘Ik zat als rechercheur in het team dat EU-fraude onderzocht. Dat ging om het aanpakken van misbruik van bijvoorbeeld landbouwsubsidies en het ontlopen van invoerrechten en antidumpingheffingen.

In dat werk kwam je nogal eens in het buitenland. Tijdens mijn verblijf in Oost-Europa viel het me op dat warme maaltijden en sterke drank een grotere rol spelen in het dagelijks leven dan ik gewend was. Gelukkig was er ruimte voor persoonlijke keuzes, dus ik kon daar soms mijn eigen weg in gaan."

‘Processen-verbaal schreven we in die tijd met de hand en brachten we daarna naar de typekamer. Daar zat een aantal typistes die onze processen-verbaal gingen uittypen. In die tijd mocht je als rechercheur veel meer als het ging om het opvragen van gegevens. Tegenwoordig is de privacyregelgeving veel strikter. Dat is in het belang van de personen waar wij onderzoek naar doen. Met name voor informatie-uitwisseling met landen buiten de EU gelden nu strengere regels dan voorheen. Daarom is het belangrijk dat elke rechercheur ervaring opdoet met internationaal werken.’

Europol

Huub, adviseur internationale zaken: ‘De vorming van Europol in 1999 heeft bevorderd dat we snel informatie konden uitwisselen met politiediensten in het buitenland. Zo kwam er meer snelheid in de internationale opsporing. Met de uitbreiding van de Europese Unie kwam Europol steeds meer in beeld, omdat de criminaliteit ook steeds internationaler werd, met grensoverschrijdende transacties. Criminelen zetten graag een landsgrens in om te belemmeren dat informatie wordt uitgewisseld.’  

Dat laatste issue is voor de opsporingsdiensten deels getackeld. In het hoofdkantoor van Europol in Den Haag heeft tegenwoordig elk land een eigen ‘Desk’. De FIOD heeft daar ook vier medewerkers als liaison. Als een FIOD-collega informatie uit het buitenland nodig heeft, dan kan onze liaison zo de gang oplopen om bij dat betrokken land aan te kloppen. Ze zitten immers in hetzelfde gebouw. Het opwerken van signalen en samenwerking in opsporingsonderzoeken via Europol zal de komende jaren alleen maar verder toenemen.

Onderzoeksmiddelen

De onderzoeksmiddelen zijn in de tussentijd ook in ontwikkeling. Een goed voorbeeld is de inzet van Joint Investigation Teams (JIT). Dit is een tijdelijk onderzoeksteam dat bestaat uit rechercheurs uit 2 of meer landen, dat zich met een grensoverschrijdende zaak bezighoudt en waardoor je makkelijk onderling informatie kan uitwisselen. De FIOD heeft hier een paar keer gebruik van gemaakt, zoals in de zaak Pollino van zo’n 10 jaar geleden. Dit was een onderzoek naar witwassen door partners van Italiaanse restaurants in Horst en Venray dat verbanden liet zien met criminele activiteiten in Duitsland en in Zuid-Italië. Het onderzoek leidde uiteindelijk tot 90 arrestaties waarvan 5 in Nederland, de inbeslagname van bijna 4000 kg cocaïne en 140 kilo XTC pillen en ongeveer 2 miljoen euro in beslagname. De 2 miljoen is het totaalbedrag van cash, voertuigen, panden en andere vermogensobjecten dat in beslag werd genomen in Italië, Duitsland, België en Nederland.

Huub: ‘Een andere mooie internationale casus is op het thema corruptiebestrijding. Zo moest de internationale telecomprovider Vimpelcom in 2016 na onderzoek door de FIOD 400 miljoen dollar aan Nederland betalen na ambtelijke omkoping en valsheid in geschrifte rondom en na de toetreding van het in Amsterdam gevestigde bedrijf tot de Oezbeekse telecommarkt’.  

Uitbreiding opsporingsterreinen

Huub: ‘De digitalisering en globalisering hebben er de afgelopen twee decennia voor gezorgd dat internationale onderzoeken en de internationale samenwerking een vlucht hebben genomen. Door covid-19 is de digitalisering verder versneld. Want waar in het verleden vergaderingen en overleggen van de Organisatie voor Europese Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) altijd live waren, kun je die nu regelmatig vanuit je eigen werkplek online bijwonen. Dat is soms efficiënt. Een bijkomend voordeel daarvan is dat vertegenwoordigers van landen die niet veel kunnen reizen, bijvoorbeeld door beperkte budgetten, online kunnen aansluiten.      

Helma: ‘Dat de FIOD zich meer internationaal is gaan oriënteren, komt ook door de uitbreiding van de beleidsterreinen. Vroeger stond de FIOD alleen opgesteld voor het fiscale en douane onderzoeken. Later zijn thema’s als witwassen, terrorismefinanciering, corruptie en de sancties erbij gekomen. Kenmerkend aan deze criminaliteitsvormen is dat ze niet alleen figuurlijk, maar ook letterlijk grensoverschrijdend zijn. Tel daarbij de mogelijkheden van digitalisering op en je begrijpt de groei van het internationale werkveld van de FIOD.’

Professioneel werken

Huub: ‘Rond het fenomeen witwassen is enorm veel gebeurd sinds de oprichting van de Financial Action Task Force (FATF) in 1989. Zo is er internationaal een standaard ontwikkeld hoe de regelgeving er op dat vlak uit moet zien. Bij de OESO zie je verder dat er standaarden zijn gekomen op het gebied van de bestrijding van fiscale misdrijven en voor corruptiebestrijding, en dat landen elkaar gingen beoordelen.

Foto van vrouw achter laptop met persoon op scherm.

In 2012 vond er een evaluatie plaats door de OESO. Tussen 2012 en 2015 voerde de FIOD verschillende corruptieonderzoeken uit die veel aandacht trokken in de media. Dat leidde uiteindelijk tot strengere straffen voor omkoping vanaf 1 juni 2015. In 2016 werd bovendien het anti-corruptiecentrum (ACC) opgericht. Het ACC heeft toen de taak van de Rijksrecherche overgenomen om buitenlandse ambtelijke corruptie aan te pakken.

Unieke positie

Nederland doet het al met al goed op het internationale vlak. Huub: ‘In bijna alle landen zit de stafrechtelijke opsporing van fiscale misdrijven, witwassen en corruptie bij de politie. In die landen zie je dat als er bijvoorbeeld een probleem is met de openbare orde –zoals rellen of demonstraties- dat alle capaciteit daarop wordt ingezet. De financiële opsporing lijdt dan schade. In Nederland hebben we die twee gescheiden, hoewel we wel heel nauw samenwerken met de politie en andere opsporingsdiensten. En daarin zijn we vrij uniek.’

Helma: ‘Wat dat betreft is de FIOD een voorbeeld voor veel andere landen. We worden ook vaak benaderd voor presentaties, voor het geven van voorlichting en technische bijstand aan landen.’

Huub: ‘Ik ben trots op de invloed die we hebben op grotere organisaties en grotere landen. En met name op de veranderingen die we in Nederland en het buitenland hebben kunnen bewerkstelligen met complexe opsporingsonderzoeken naar nieuwe, internationale criminaliteitsfenomenen en met technische assistentietrajecten.’

Maar de tachtigjarige FIOD leunt niet achterover. Huub: ‘We hebben net een nieuwe strategie Internationaal voor de komende vijf jaar opgesteld. Daarin staan drie belangrijke prioriteiten. De eerste is het professionaliseren van de internationale samenwerking binnen en door de FIOD. Daarbij willen we ons richten op geselecteerde fenomenen en landen. En als laatste willen we onze collega’s boeien en binden, onder andere door hen aan internationale projecten te laten werken zoals het verlenen van technische assistentie aan andere landen.’

‘Ons werkterrein is de hele wereld’

Nagenoeg alle onderzoeken van het Anti Corruptie Centrum (ACC) van de FIOD hebben tegenwoordig een internationale component’, zegt projectleider AJ. ‘Dat varieert van het verkrijgen van informatie uit het buitenland tot werken ín het buitenland. We richten ons met corruptieonderzoeken met name op Nederlandse bedrijven die ambtenaren in het buitenland omkopen om een grote opdracht te krijgen of te houden. Soms is daar zelfs de regering van een land zelf bij betrokken. Vaak gaat het om multinationals met een hoofdvestiging in Nederland.

Als wij een verhoor of doorzoeking in het buitenland willen, bel ik altijd met lokale politie om de actie voor te bereiden. Negen van de tien keer willen ze helpen en kunnen wij een rechtshulpverzoek opstellen. Wat helpt, is ons uitgebreide netwerk. Zo neem ik bijvoorbeeld deel aan de Working Group on Bribery van de OESO, met leden uit 46 landen, die twee keer per jaar bijeen komt. Dus als ik bijvoorbeeld iets in Zuid-Afrika wil dan heb ik daar al een contact.

Ons werkterrein is de hele wereld. Als het vermoeden bestaat dat een Nederlands bedrijf een ambtenaar in het buitenland heeft omgekocht en we hebben capaciteit dan gaan we beginnen. Dan maakt het niet uit welk land dat is. We moeten wel keuzes maken want er zijn altijd meer zaken dan manschappen.

We maken regelmatig dienstreizen naar het buitenland, meestal met z’n tweeën. Bijvoorbeeld naar Portugal. Ik heb geen bevoegdheid om daar opsporingshandelingen te plegen. De Portugese politieman wél. Wij kunnen samen bespreken wat het slimst is om te doen. We gaan ook regelmatig naar Engeland om een doorzoeking bij te wonen of een verhoor. Maar als het op afstand kan, doen we dat.

Het mooie van dit werk is dat je de context van het land in je dossier krijgt. Vanuit Nederland bepalen wij niet wat normaal is in bijvoorbeeld Nigeria. Het hoort bij het werk van het ACC om politieke en maatschappelijke ontwikkelingen te onderzoeken en in kaart te brengen. Dit doe je allemaal niet als je alleen maar een bankrekening wilt opvragen. Maar wel als je wilt aantonen hoe een politieke partij zich binnen een land heeft ontwikkeld en wie daar allemaal bij betrokken zijn.

Gaat het om bijvoorbeeld een drugszaak dan dienen we geen rechtshulpverzoek in voor waar de doodstraf staat op drugshandel. We moeten dus met veel aspecten rekening houden.’

‘Internationaal samenwerken is elkaar ontmoeten en vertrouwen creëren’

‘Ons team doet regelmatig onderzoeken met buitenlandse partners. Waar we in mijn eerste jaren - buiten Nederland - in aanraking kwamen met België en Duitsland, zie je dat het steeds verder weg gaat. En dat steeds meer landen zijn gaan samenwerken.’

‘In eerste instantie is internationaal samenwerken elkaar ontmoeten en vertrouwen creëren. Je moet je verdiepen in de collega’s aan de andere kant van de tafel. Zo krijg je een beeld van de cultuur, organisatie- en landsbelangen van de buitenlandse opsporingsdienst. In het ene land zeggen ze ‘ja’ omdat ze niet gewend zijn ‘nee’ te zeggen maar doen uiteindelijk niet datgene dat is besproken. In andere landen is afspraak gewoon afspraak. Daarom moet je tijd investeren in het leren kennen van de gebruiken van je buitenlandse collega’s.

Een deel van die kennis kun je zelf ophalen in onze eigen organisatie, bijvoorbeeld bij team Internationaal, Europol of collega’s die eerder ervaring hebben opgedaan met een buitenlandse opsporingsdienst. Maar elk onderzoek is anders. Dus moet je elke keer investeren in met wie je gaat samenwerken en hoe je met elkaar omgaat.’

‘Dienstreizen worden vaak geromantiseerd. Maar meestal is het gewoon hard werken. Als je aankomt, ga je vaak meteen een overleg in. En praten in een andere taal, terwijl je oren nog dicht zitten van de vlucht die je net achter de rug hebt. Soms heb je tijd over. Maar net zo vaak heb je de pech dat je aanvullende verzoeken moet schrijven. Dan is het echt buffelen. ‘Het mooie is dat je de kans krijgt om van dichtbij te zien hoe opsporingsdiensten in andere landen het doen. Hoe zit hun regelgeving in elkaar, hoe pakken zij een doorzoeking aan en hoe gaan zij om met een verdachte. Hoe meer je daarvan leert, hoe makkelijker het wordt om je in een ander te verplaatsen. Al kan ik me soms ook nog wel verbazen.’ – projectleider S.

Afbeelding wereldkaart mbt Internationaal samenwerken

De start van de FIOD op het internationale vlak

Zes medewerkers en één secretaresse startten de FIOD op 20 september 1945 met vijf bakelieten telefoons, een geleende typmachine en twee dienstauto’s. Hun opdracht: zwart verdiend inkomen en vermogen uit de Tweede Wereldoorlog opsporen.

Het werk speelde zich in die eerste jaren in Nederland af. Tot de FIOD zich mengde in de botersmokkel. Tussen 1955 en 1963 was er een bittere strijd tussen de Douane en Douanerecherche aan de ene kant en smokkelaars uit de zuidelijke grensstreken aan de andere kant, die boter vanuit Nederland in België willen verkopen. De periode staat ook bekend als de 'Boteroorlog'.

Categorie